New Breed CoachingNew Breed Academy

Gratis hoofdstuk · Niveau 5 Bloodwork

Dit is hoofdstuk 9 van 12 uit Bloodwork, precies zoals leden het zien. Geen samenvatting en geen halve pagina: de vragen tussendoor werken gewoon.

Geslachtshormonen en SHBG in bloed

Testosteron is de marker die het vaakst verkeerd wordt gelezen: een totaalwaarde zonder SHBG ernaast zegt weinig over wat er werkelijk werkzaam is. Dit hoofdstuk gaat over het lezen van testosteron, SHBG, oestradiol, LH, FSH en prolactine in bloed, en over de meetomstandigheden die de uitslag bepalen. De fysiologie achter de as staat in niveau 4; hier gaat het om interpretatie.

Totaal, vrij en biologisch beschikbaar testosteron

Testosteron circuleert vrijwel volledig gebonden. Grofweg de helft tot twee derde zit stevig vast aan SHBG, het grootste deel van de rest zit los gebonden aan albumine, en slechts grofweg 1 tot 3 procent zweeft vrij rond. Alleen die vrije fractie, en in de praktijk ook het losjes albuminegebonden deel, bereikt de receptor. Hoe die binding werkt en wat de as aanstuurt, staat in niveau 4.

Dat levert drie getallen op die je op een rapport kunt tegenkomen:

  • Totaal testosteron: alles bij elkaar, gebonden en vrij. Dit is de standaardbepaling en de goedkoopste.
  • Vrij testosteron: het ongebonden deel. Dit is wat je klinisch wilt weten.
  • Biologisch beschikbaar testosteron: vrij plus albuminegebonden. Wordt minder vaak gerapporteerd.

Het verschil doet ertoe omdat totaal en vrij uit elkaar lopen zodra SHBG afwijkt. Een man met een hoge SHBG kan een keurig totaal testosteron hebben en toch klachten van een tekort; een man met een lage SHBG kan een normaal totaal hebben terwijl de vrije fractie hoog is. Een totaalwaarde zonder SHBG op hetzelfde rapport kun je dus niet fatsoenlijk duiden.

Referentiewaarden voor de volwassen man

Bij gelijk totaal bepaalt SHBG hoeveel vrij is

SHBG bepaalt de vrije fractie

SHBG bindt testosteron en bepaalt daarmee hoe groot de vrije fractie is. De binding is verzadigbaar, waardoor de relatie tussen totaal en vrij testosteron niet recht is: hoe lager de SHBG, hoe groter het deel van het totaal dat vrij overblijft. Een daling van SHBG verhoogt het vrije testosteron dus meer dan je op grond van het totaal zou verwachten.

Wat SHBG verlaagt

  • Insulineresistentie en een hoog insuline, en daarmee overgewicht en veel visceraal vet
  • Androgenen, en het sterkst de oraal werkzame, gealkyleerde varianten
  • Groeihormoon en een hoog IGF-1
  • Glucocorticoïden
  • Een trage schildklier
  • Eiwitverlies, zoals bij het nefrotisch syndroom

Wat SHBG verhoogt

  • Oestrogeen, van nature of van buitenaf
  • Schildklierhormoon: bij hyperthyreoïdie loopt SHBG duidelijk op
  • Leverziekte, met name cirrose
  • Energietekort, ondergewicht en langdurig hard dieten
  • Veroudering
  • Sommige medicijnen, waaronder anti-epileptica

Daarmee is SHBG ook een indirecte metabole marker. Een SHBG onder in of onder het bereik bij iemand die niets gebruikt, is een reden om naar nuchtere glucose, HbA1c en de lipiden te kijken. Zie het hoofdstuk over hormonen en cardiovasculair risico.

Berekend of direct gemeten

Er zijn drie manieren waarop een vrij testosteron op een rapport terechtkomt.

  • Berekend, meestal met de formule van Vermeulen, uit totaal testosteron, SHBG en albumine. Goedkoop, reproduceerbaar en voor de praktijk goed genoeg. Ontbreekt albumine, dan vult het laboratorium een aanname in, wat bij een afwijkend albumine een fout introduceert.
  • Equilibriumdialyse, bij voorkeur met massaspectrometrie. Dit is de referentiemethode, maar kostbaar en niet overal beschikbaar.
  • Directe analoge immunoassay. Deze wordt in richtlijnen afgeraden, juist omdat hij bij een afwijkende SHBG de mist in gaat, precies waar je hem nodig hebt.

Praktisch: staat er een vrij testosteron op het rapport zonder SHBG ernaast, ga er dan van uit dat je de waarde niet kunt controleren. Staat SHBG er wel bij, dan reken je de vrije fractie zelf na door het vrije testosteron in nmol/l te delen door het totale testosteron. Bovenin de referentie hoort daar ongeveer 2 procent uit te komen.

Meetomstandigheden die de uitslag bepalen

Bij geslachtshormonen kunnen de omstandigheden van de afname het verschil maken tussen normaal en afwijkend. De regels zijn simpel en niet onderhandelbaar zodra je metingen wilt kunnen vergelijken.

  • In de ochtend, bij voorkeur tussen 7 en 10 uur. Testosteron kent een dagritme met een piek in de vroege ochtend en een dal in de middag. Bij jonge mannen is dat verschil het grootst; een middagmeting kan een gezonde man onterecht laag laten uitkomen.
  • Nuchter. Een maaltijd, en zeker een koolhydraatbelasting, laat het totale testosteron binnen een uur meetbaar dalen. Nuchter prikken haalt die ruis eruit en levert glucose, insuline en lipiden meteen bruikbaar op.
  • Niet vlak na zware training. Krachttraining geeft acuut een stijging door hemoconcentratie en een reactie van de as, en in de dagen erna juist een dip. Houd 24 tot 48 uur rust voor de afname aan, en bij elke volgende meting dezelfde afstand tot de laatste training.
  • Niet tijdens ziekte of vlak erna. Een infectie, koorts of een periode van slecht slapen onderdrukt de as. Stel de meting uit tot minstens twee weken na herstel.
  • Goed gehydrateerd en zonder alcohol de avond ervoor. Uitdroging verhoogt alle eiwitgebonden waarden, inclusief hematocriet.
  • Biotine stoppen. Hoge doses biotine, ook uit supplementen voor haar en nagels, verstoren veel immunoassays en kunnen hormoonwaarden vals hoog of vals laag maken. Volg de instructie van het laboratorium, in de praktijk 48 tot 72 uur van tevoren stoppen.
  • Rustig zitten voor de prik, zeker als prolactine op de aanvraag staat. Prikangst, haast en een gejaagde reis naar het lab verhogen prolactine. Twintig tot dertig minuten zitten voor de afname is genoeg.
  • Bij injecties altijd op hetzelfde punt in het interval. Waar in het toedieningsinterval je prikt, bepaalt de uitslag volledig. De bruikbare afspraak is vlak voor de volgende toediening, en dat moment vastleggen bij de uitslag.

Verder geldt wat in het hoofdstuk over interpretatie en referentiewaarden staat: hetzelfde laboratorium, dezelfde bepalingsmethode en hetzelfde tijdstip, anders vergelijk je twee dingen die niet vergelijkbaar zijn. Een afwijkend testosteron wordt bovendien nooit op een enkele meting geconcludeerd; een tweede meting op een andere ochtend is de standaard.

Oestradiol bij de man

Bij mannen komt vrijwel alle oestradiol uit aromatisatie van testosteron, vooral in vetweefsel. Het is dus geen vrouwelijk hormoon dat er per ongeluk bij zit, maar een noodzakelijke metaboliet. Oestradiol draagt bij aan botdichtheid, libido en erectiele functie, vetverdeling, gewrichtscomfort, stemming en het lipidenprofiel. Zie niveau 4 voor het mechanisme.

De veelgehoorde gedachte dat lager altijd beter is, klopt daarom niet. Een te laag oestradiol geeft net zoveel klachten als een te hoog oestradiol, en deels dezelfde. Te hoog geeft vochtretentie, een opgeblazen gevoel, stemmingswisselingen en gevoelig borstklierweefsel. Te laag geeft droge en pijnlijke gewrichten, libidoverlies, erectieproblemen, futloosheid, een ongunstiger HDL en op termijn botverlies. Wordt de waarde met een aromataseremmer onderuitgehaald, dan zie je die klachten binnen weken opkomen.

Twee dingen om op te letten bij het lezen van een oestradiolwaarde:

  • De bepalingsmethode. De gangbare immunoassay is ontworpen voor de veel hogere concentraties bij vrouwen en is bij mannen onnauwkeurig, met kruisreactiviteit die de uitslag kan opblazen. Een gevoelige bepaling of massaspectrometrie is betrouwbaarder. Vraag bij een onverwachte uitslag na welke bepaling is gebruikt.
  • De verhouding tot testosteron. Oestradiol beweegt mee met het testosteron waaruit het ontstaat. Een hoog oestradiol bij een hoog testosteron is verwachte fysiologie. Wat je apart moet bekijken is een oestradiol dat de andere kant op beweegt dan het testosteron.

Als coach stuur je niet op een oestradiolgetal. Je legt de waarde naast de klachten en het verloop, en je verwijst naar de arts zodra behandeling in beeld komt.

LH, FSH en prolactine

LH en FSH vertellen of de eigen aansturing nog draait. LH stuurt de testosteronproductie in de testis aan, FSH de zaadcelproductie. De combinatie met testosteron leest als volgt:

  • Laag testosteron met een laag of niet passend normaal LH en FSH: de aansturing zelf hapert, of er is een bron van buitenaf.
  • Laag testosteron met een verhoogd LH en FSH: de testis reageert niet meer en de as probeert harder.
  • Hoog testosteron met een onderdrukt LH en FSH: het testosteron komt van buiten. Bij suprafysiologische waarden zijn LH en FSH vrijwel altijd onmeetbaar laag.

Een hoog testosteron met een normaal LH is intern tegenstrijdig en reden om aan de afname of de bepaling te twijfelen. Na het staken van een bron van buitenaf komt LH eerder terug dan het totale testosteron, en volledig herstel duurt maanden, niet weken.

Prolactine wordt vaak aangevraagd en bijna even vaak verkeerd gelezen. Een licht verhoogde waarde is zelden een tumor. De belangrijkste oorzaken, op volgorde van waarschijnlijkheid:

  • Meetstress. De venapunctie zelf, haast of prikangst verhoogt prolactine. Dit is de meest voorkomende verklaring voor een licht verhoogde uitslag.
  • Recent ontwaken, slaaptekort, seksuele activiteit en tepelprikkeling in de uren voor de afname.
  • Macroprolactine. Prolactine gebonden aan een antilichaam vormt een groot complex dat biologisch niet actief is, maar wel meetelt in de bepaling. Dit is een artefact, geen aandoening. Het laboratorium kan het uitsluiten met een PEG-precipitatie, maar dat moet je apart vragen.
  • Een trage schildklier. Bij hypothyreoïdie stijgt prolactine mee. Kijk dus altijd naar TSH en vrij T4 op hetzelfde rapport.
  • Medicatie, waaronder antipsychotica, sommige antidepressiva, maagmiddelen zoals metoclopramide en domperidon, en sommige bloeddrukverlagers.
  • Stoffen met een progestagene werking, waaronder de 19-nortestosteronderivaten.
  • Een prolactinoom. Dit hoort in de lijst, maar staat onderaan omdat het bij een lichte verhoging zelden de verklaring is. Bij een fors verhoogde waarde, of bij hoofdpijn en uitval van het gezichtsveld, gaat de klant meteen naar de arts.

De praktische regel: een licht verhoogd prolactine herhaal je onder correcte omstandigheden voordat je er iets van vindt.

Praktijkvoorbeeld: twee mannen met een hoog testosteron

Casus A, man midden twintig, twee metingen met acht maanden ertussen.

Bij de eerste meting staat een totaal testosteron van 46,8 nmol/l bij een referentie van 8,64 tot 29,00, met een oestradiol van 275,0 pmol/l bij een bovengrens van 158,5. Acht maanden later is het testosteron 157,0 nmol/l, ruim vijf keer de bovengrens, terwijl het oestradiol gedaald is naar 148,0 pmol/l en dus binnen bereik valt. Prolactine staat op 21,8 microgram/l bij een bovengrens van 15,2.

Wat de coach hier ziet:

  • Een oestradiol dat daalt terwijl het testosteron ruim verdrievoudigt, gebeurt niet vanzelf. Dat het oestradiol nu binnen bereik ligt, is dus geen geruststelling maar een aanwijzing dat er actief op gestuurd wordt. Vraag door naar klachten die bij een te laag oestradiol horen: gewrichten, libido, stemming.
  • Op geen van beide rapporten staat SHBG of albumine, dus het vrije testosteron valt niet te berekenen. Dat zet je op de aanvraag voor de volgende keer.
  • Het prolactine van 21,8 is licht verhoogd, ruim veertig procent boven de grens. Hypothyreoïdie als verklaring valt af, want vrij T4 staat op 23,20 pmol/l en bij een latere meting vrij T3 op 7,45 pmol/l, allebei juist boven het bereik. De eerste stap is een herhaalmeting in de ochtend, nuchter, na twintig minuten zitten, plus de vraag aan het laboratorium om macroprolactine uit te sluiten.
  • De bijkomende markers doen het echte werk. ASAT en ALAT dalen van 104 en 87 naar 62 en 68, maar blijven boven 50. Hematocriet blijft met 0,49 en 0,48 net onder de grens. HDL blijft met 0,65 en 0,52 structureel onder 0,91, en dat is bij dit beeld de bevinding met het grootste gewicht op de lange termijn.

Casus B, man begin twintig, een meting.

Totaal testosteron 58,10 nmol/l, vrij testosteron 1845 pmol/l bij een referentie van 172 tot 592, SHBG 21,4 nmol/l en oestradiol 239,0 pmol/l.

Reken de vrije fractie na: 1845 pmol/l is 1,845 nmol/l, gedeeld door 58,10 nmol/l geeft ongeveer 3,2 procent. Bovenin de referentie hoort dat rond de 2 procent te liggen. Het effect is zichtbaar in de verhoudingen: het totale testosteron staat op ongeveer 2,0 keer de bovengrens, het vrije testosteron op ongeveer 3,1 keer de bovengrens. De lage SHBG duwt de vrije fractie onevenredig omhoog. Met 21,4 nmol/l valt SHBG nog binnen het bereik van 18,3 tot 54,1, maar wel aan de onderkant, en dat is precies wat je bij androgeengebruik verwacht.

Wat de coach hier doet:

  • Niet oordelen over het testosterongetal zelf, want de referentie is hier geen richtpunt meer.
  • Wel vaststellen dat de belasting hoger ligt dan het totaal doet vermoeden, omdat het werkzame deel relatief groter is.
  • Controleren of het vrije testosteron berekend of gemeten is, en op welk moment in het toedieningsinterval er is geprikt. Zonder dat weet je niet of dit een piek of een dal is.
  • Noteren dat de rest van het rapport opvallend rustig is: ASAT 22, ALAT 21, GGT 13, hs-CRP 0,34, HDL 1,03 en LDL 1,47. Suprafysiologisch testosteron geeft dus niet automatisch afwijkende lever- of ontstekingswaarden.
  • Twee dingen blijven staan. Hematocriet is 0,49 bij een bovengrens van 0,50, dus dat is de marker die je herhaalt en volgt. En creatinine is met 107,8 micromol/l net boven de grens terwijl cystatine C met 0,92 mg/l normaal is: dat is spiermassa die de creatinineschatting vertekent, geen nierprobleem. Zie het hoofdstuk over nierfunctie.

Belangrijkste punten

  • Een totaal testosteron zonder SHBG op hetzelfde rapport kun je niet fatsoenlijk duiden, want SHBG bepaalt hoeveel er werkzaam overblijft.
  • Omdat de binding aan SHBG verzadigbaar is, duwt een lage SHBG de vrije fractie onevenredig omhoog: bij casus B staat het totaal op 2,0 keer de bovengrens en het vrije testosteron op 3,1 keer.
  • Vrij testosteron is bruikbaar als het berekend is uit totaal testosteron, SHBG en albumine of gemeten is met equilibriumdialyse; de directe analoge immunoassay is dat niet.
  • Prik testosteron in de ochtend, nuchter, minstens 24 tot 48 uur na zware training, en bij injecties altijd op hetzelfde punt in het toedieningsinterval.
  • Een te laag oestradiol geeft bij mannen net zoveel klachten als een te hoog oestradiol, LH en FSH laten zien of de eigen aansturing nog draait, en een licht verhoogd prolactine herhaal je voordat je er iets van vindt.
  • Boven de referentie stuur je niet meer op de hormoonwaarde zelf, maar op hematocriet, lipiden, bloeddruk, lever en nierfunctie, en je verwijst door zodra die de verkeerde kant op bewegen.

Einde van het hoofdstuk

Dit was 1 van de 136

Bloodwork heeft er 12, en dat is 1 van de 14 niveaus. Van trainingsleer en voeding tot bloedwerk en middelen.

Verder lezen in de academy

Maandelijks opzegbaar. Niet goed, geld terug binnen 14 dagen.

Al lid? Inloggen

1 van de 136 hoofdstukken.

Word lid